Ga door naar hoofdcontent
Artikelen‘Het is nog een hele zoektocht’

‘Het is nog een hele zoektocht’

Maandag 1 juni 2015Afbeelding ‘Het is nog een hele zoektocht’

Vanaf januari 2015 valt een belangrijk deel van de zorg voor revalidanten die uit het revalidatiecentrum vertrekken onder de gemeenten. Om een beeld te krijgen van de consequenties, vroeg RM enkele maatschappelijk werkers naar de eerste ervaringen. De nieuwe situatie brengt risico’s met zich mee, zeggen zij, maar het is nog te vroeg voor een echt oordeel.

Voorbeeld 1: Rijndam Revalidatie

‘Tot januari 2015 vroegen we een indicatie aan bij het CIZ terwijl de patiënt nog in het revalidatiecentrum was’, vertelt Lisanne van der Wel. Als maatschappelijk werker begeleidt zij in het Rotterdamse revalidatiecentrum Rijndam vooral revalidanten met niet-aangeboren hersenletsel (NAH). ‘We kregen dan binnen twee dagen antwoord. Zo kon de zorg heel snel starten wanneer de patiënt naar huis ging.’ Op dit moment meldt het centrum bij de betreffende gemeente dat een patiënt bijvoorbeeld begeleiding thuis nodig zal hebben. ‘De gemeente beoordeelt dat na het keukentafelgesprek, en sommige gemeenten houden zo’n gesprek pas wanneer iemand echt thuis is. Het kan na thuiskomst tot acht weken duren voordat er een indicatie is, dus dan zitten mensen zonder hulp. Ook wanneer een gemeente het gesprek wel in het revalidatiecentrum houdt, kan de beslissing een tijd op zich laten wachten waardoor we patiënten soms langer dan nodig hier moeten houden. Bij woningaanpassingen, bijvoorbeeld, speelt dat probleem heel sterk.’ 

Als het keukentafelgesprek thuis plaatsvindt, kan het revalidatiecentrum niet meepraten. ‘Bij mensen met NAH kan het ziekte-inzicht een groot probleem zijn, waardoor iemand denkt geen hulp nodig te hebben. De indicatiestellers van de gemeente, die met allerlei soorten problemen te maken hebben, weten niet altijd hoe ze daarmee om moeten gaan. Het zou goed zijn als ze daarin gesteund worden door gespecialiseerde professionals.’ Maar het grootste probleem is op dit moment om te ontdekken hoe het werkt bij de verschillende gemeenten in het grote en gevarieerde verzorgingsgebied van Rijndam. ‘Aanmelden moet bij elke gemeente anders. Vaak weet eigenlijk niemand hoe het werkt. Dat kost ons heel veel extra tijd. En we weten ook niet wat er aan het eind van het jaar gaat gebeuren, als de beperkte budgetten van de gemeenten op zijn.’

Voorbeeld 2: Adelante

Femke van Dijk is maatschappelijk werker in de volwassenenrevalidatie bij Adelante in Hoensbroek. Ze zegt: ‘De procedures binnen de tientallen gemeentes uit ons verzorgingsgebied verschillen sterk, en dat maakt het heel moeilijk om onze patiënten goed te informeren over wat er gaat gebeuren. Zo kan het van een paar dagen tot langer dan zes weken duren voordat er een keukentafelgesprek plaatsvindt.’ Verder blijkt dat de ene Wmo-consulent het revalidatiecentrum bezoekt voor een gesprek, en de ander de cliënt pas bezoekt als die weer thuis is. ‘En de één vraagt op voorhand informatie op bij ons, de ander niet. Soms kan er een professional uit het centrum aanwezig zijn bij het gesprek, en soms ook niet.’ 

Positief vindt ze dat alle gemeenten hard werken om de nieuwe Wmo op een goede manier vorm te geven. ‘En wij om op de nieuwe situatie in te spelen. We informeren de mensen nu nog vooral in algemene termen over de veranderde regelgeving. We maken ze er bijvoorbeeld van bewust dat er meer gekeken wordt naar hun eigen mogelijkheden en netwerk. En we bereiden het gesprek samen voor. Maar het is veel moeilijker geworden om te voorspellen wat eruit gaat komen. Veel is onduidelijk, of ook voor gemeenten zelf nog onbekend. En er is natuurlijk een beperkter budget.’

Een voordeel van de nieuwe regeling kan zijn dat de lijnen uiteindelijk korter worden. ‘Binnen de wijkteams treffen mensen uit verschillende disciplines elkaar. Een voordeel kan ook zijn dat we via het wijkteam meer zicht kunnen krijgen op de voorzieningen in de buurt van de patiënt. Verder worden cliënten en mantelzorgers wellicht creatiever in het vinden van mogelijkheden binnen het eigen netwerk. Daar moeten we positief gebruik van proberen te maken.’

Voorbeeld 3: Revalidatie Friesland

‘Het is nog een hele zoektocht. Voor de gemeenten, en dus ook voor revalidanten en voor ons. Dat eerste kan samengaan met onervarenheid en ondeskundigheid.’ Aan het woord is Sipke de Jong. Als maatschappelijk werker bij Revalidatie Friesland werkt hij met mensen met hersenletsel, amputatie of mobiliteitsproblemen na een trauma. Hij noemt als voorbeeld de aanvraag van iemand die volgens het revalidatiecentrum dagopvang nodig zou hebben. ‘Omdat het een complexe situatie was, was ik bij het keukentafelgesprek om een en ander toe te lichten. Daar bleek duidelijk dat het wijkteam geen inzicht had in het ziektebeeld en de gevolgen daarvan. Toch werd aanvankelijk een indicatie afgegeven en dus hebben we de aanmelding voor het vervolgtraject opgestart. Op de dag dat de cliënt ontslagen zou worden, hoorden we dat de indicatie was ingetrokken en dat het dus niet doorging.’ 

Wat ook lastig kan zijn, zeker in kleine gemeenschappen, is als mensen elkaar kennen. ‘Zo had één van mijn cliënten in het verleden een conflict gehad met iemand uit het wijkteam dat zijn aanvraag moest beoordelen. Dan is het natuurlijk de vraag hoe objectief zo’n persoon dat nu weer kan doen. De cliënt zit in een afhankelijke positie en moet vaak meer aanvragen doen; dan kan een kleinere afstand ook een nadeel zijn.’ Verder signaleert De Jong verschillen tussen de wijkteams. ‘Dat varieert van heel erg gericht op de regels tot sterk betrokken bij de cliënt, en dus flexibeler met het verstrekken van voorzieningen.’ Toch ziet de maatschappelijk werker ook een mogelijk voordeel. ‘De nieuwe situatie stimuleert mensen wellicht meer om creatief te gaan denken, om zelf te zoeken naar oplossingen. Dat kan positief zijn, als tenminste de echt benodigde zorg maar beschikbaar blijft.’

Wat is er veranderd?

Per januari 2015 is de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vervangen door de Wet langdurige zorg (Wlz). De uitvoering hiervan is een taak gebleven van de zorgverzekeraars. Een deel van de AWBZ-zorg verhuisde echter naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), en daarmee naar de gemeenten. Om te beginnen is dat ambulante woonbegeleiding: hulp bij zaken als het structureren van het huishouden en de administratie. Deze hulp kan bijvoorbeeld van belang zijn voor mensen met hersenletsel. Ook dagbesteding verhuisde naar de Wmo. Daar valt nu ook de logeeropvang onder, die gebruikt kan worden wanneer de mantelzorger even rust nodig heeft. Tot 2015 gebeurde de indicatie voor deze zorg door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Die indicatiestelling ging in januari dus over naar de gemeenten. Vrijwel alle gemeenten hebben hiervoor een Wmo-loket. De indicatie loopt doorgaans via een wijkteam, dat tijdens een zogeheten keukentafelgesprek de behoeften en mogelijkheden van de betrokkene in kaart moet brengen.

Voor de zorg die al onder de Wmo viel, geldt dus ook deze procedure. Het gaat dan vooral om aanpassingen en voorzieningen in huis, zoals een traplift, om rolstoelen en andere hulpmiddelen en om huishoudelijke hulp. Verder verhuisde persoonlijke verzorging voor vrijwel alle cliënten met een somatische beperking van de AWBZ naar de Zorgverzekeringswet. Daarbij kan worden gedacht aan hulp bij het douchen of wondzorg. Dit blijft dus een taak van de zorgverzekeraars, met indicatie via het CIZ.

Langdurige en intensieve zorg is overgegaan van de AWBZ naar de Wlz en blijft dus eveneens een taak van de zorgverzekeraars. Het gaat dan bijvoorbeeld om mensen die wonen in een instelling of thuis intensieve zorg nodig hebben.

Auteurs

Afbeelding voor Adri Bolt

Adri Bolt

Reacties

    Plaats een reactie

    Schrijf je in!

    Ontvang de RM nieuwsbrief en blijf op de hoogte van de ontwikkelingen over revalidatiemethoden, onderzoek, innovatie en ervaringen van patiënten en zorgverleners.

    Gesponsorde berichten