Klinisch linguïst Ineke heeft een missie

Klinisch linguïst en onderzoeker Ineke van der Meulen van Rijndam Revalidatie wil meer aandacht voor en onderzoek naar kinderen met taalproblemen na hersenletsel. ‘Ik droom dat een kind met een NAH-verklaring kan zwaaien voor extra tijd bij toetsen.’

Niet zelden ziet Ineke van der Meulen, die diagnoses stelt en adviseert bij taalproblemen, kinderen pas drie jaar nadat zij hersenletsel hebben opgelopen. Veel te laat, vindt de klinisch linguïst. ‘Heel lang is gedacht dat het brein van kinderen plastisch is, dat schade weer bijtrekt. Maar inmiddels zijn we er wel achter dat dat niet zo is en dat behandelen erg zinvol is. Omdat de taal van een mens tot zijn achttiende in ontwikkeling is, is het belangrijk er zo vroeg mogelijk bij te zijn.’

De kinderen die wat haar betreft niet op tijd in een klinische setting terechtkomen, hebben vaak wat begeleiding gehad van een logopedist, maar die koos doorgaans voor een behandeling die andere kinderen ook krijgen. ‘Logopedisten zien niet zo vaak kinderen met taalproblemen na hersenletsel. Soms zitten ze dan een beetje met de handen in het haar. Onbekendheid van de problematiek en behandelwijzen is dus het probleem. Het is heel belangrijk dat zorgprofessionals signalen van kinderafasie na hersenletsel herkennen en weten welke expertise er is.’

Ter ondersteuning biedt Rijndam Revalidatie het Taalpad aan. Kinderen uit het hele land komen naar Rotterdam voor een uitgebreide diagnose. De behandeling kan daarna gewoon gedaan worden door de eigen logopedist van een kind. ‘Kinderen en ouders krijgen een pakket met alle testresultaten, advies voor behandeling en advies voor thuis. Als een logopedist dat wil, begeleiden wij hem of haar een jaar op afstand.’

Omdat er weinig onderzoek is gedaan naar kinderafasie, gebruikt het Afasieteam van Rijndam Revalidatie kennis uit de volwassenenafasie om kinderafasie te diagnosticeren en te behandelen. Elk stapje tussen spreken, luisteren, schrijven en lezen wordt onder de loep genomen en indien nodig aangepakt. Op een kindermanier. ‘Overal maken we spelletjes van. We hebben memory, waarbij kinderen plaatjes moeten omdraaien die bij elkaar passen. De kam bij de haren en de blikopener bij het blik. Een andere oefening gaat over woordsamenstelling. Bij volwassenen husselen we lettergrepen door elkaar. Zij moeten die in de goede volgorde zetten. Kinderen krijgen kaartjes met een lettergreep en moeten die al springend in hoepels leggen, zodat er een woord ontstaat. Beweging en spelen zijn heel belangrijk om kinderen te motiveren voor een behandeling.’

Van der Meulen ziet kinderen vooruitgaan. ‘Een jongen van elf die nauwelijks kon praten en lezen, hebben we eerst getraind in het weer vinden van woorden. Van bijna niets zeggen kon hij na een jaar weer in hele zinnen praten. Daarna hebben we het lezen getraind, op dezelfde manier als we dat doen bij volwassenen die na een beroerte niet meer kunnen lezen. Hij kan nu ook weer boeken lezen.’ Wat werkt, niet werkt en waarom wil Van der Meulen in onderzoek bevestigd zien. Groot project is Kinderafasie in Kaart, een samenwerking met twintig zorginstellingen. Naar grove schatting komen er per jaar zo’n duizend kinderen met kinderafasie bij. Zoveel mogelijk van die kinderen moeten in een database komen, zodat meer informatie beschikbaar komt over in welke mate behandelingen werken en voor wie. ‘Het project gaat vijf jaar lopen en ik weet zeker dat de database heel veel informatie zal opleveren.’

Waardevolle informatie, omdat kinderafasie andere kenmerken heeft dan afasie bij volwassenen. Zo zijn de oorzaken verschillend: bij volwassenen komen meer beroertes voor dan bij kinderen, bij wie een ongeluk, tumor of infectie doorgaans tot de afasie leiden. En waar bij volwassenen de taal volgroeid is, is deze bij kinderen nog vol in ontwikkeling. Kinderen met afasie moeten niet alleen terugkomen op een bepaald taalniveau; ze moeten die taal ook nog verder ontwikkelen. Dat maakt dat iemand die in een kleuterfase succesvol is behandeld, in de puberteit alsnog tegen problemen kan aanlopen. ‘Romy, een meisje dat wij behandelden toen ze acht was, kwam op haar zestiende bij ons terug. Ondanks haar afasie door een hersenbloeding had ze regulier onderwijs kunnen volgen, maar nu werd het echt te zwaar. We gaven haar een boost met taaloefeningen, zodat ze het examen toch kon halen.’

Een signaalfunctie van scholen is superbelangrijk, vindt Van der Meulen. ‘Nog te vaak worden taalproblemen door hersenletsel geschoven op overprikkeling. Het liefst wil ik dat de overheid, net als een dyslexieverklaring, ook een NAH-verklaring erkent. Daarmee kan een kind zwaaien als het extra tijd nodig heeft voor toetsen. Dat is wat ik droom en ik hoop dat anderen met mij willen optrekken. Ik wil dat er op onderwijssymposia verteld wordt over hersenletsel en de gevolgen, zodat dit op het netvlies komt van zorgcoördinatoren en mentoren. Dat zal allemaal bijdragen aan mijn missie: ieder kind met afasie moet op een goede plek – en als het even kan ook op het juiste moment – de hulp krijgen die het nodig heeft.’

Beeld: Inge Hondebrink