VRA-voorzitter Annette van Kuijk over de coronazorg

De medisch specialistische revalidatie is adequaat in actie gekomen tijdens de corona-crisis. Dat constateert Annette Kuijk, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA). ‘Het is prachtig om te zien hoe de zorg regionaal de handen ineenslaat. Ik hoop dat we deze intensieve samenwerking ook na de crisis vasthouden.’

Nadat Annette van Kuijk in november vorig jaar werd benoemd tot voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA), werd ze in die functie al vrij snel geconfronteerd met een gigantische klus. De revalidatiearts en medisch directeur van Tolbrug in Den Bosch kreeg te maken met de corona-pandemie, die ook voor de Nederlandse revalidatiesector gevolgen zou hebben. Ze vertelt dat als reactie hierop de VRA en Revalidatie Nederland meteen zijn gaan samenwerken. ‘Ons gezamenlijke doel was zoveel mogelijk kennis met het veld te delen. We hebben een kennisplatform opgericht binnen Revalidatie Kennisnet, onze websites gebruikt om documenten te delen, informatie uitgewisseld met de Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde en met de verenigingen voor paramedici, COVID-nieuwsbrieven gemaakt en webinars georganiseerd. Als VRA houden wij ons vooral bezig met medisch inhoudelijke zaken en Revalidatie Nederland met organisatorische.’

Wat is de rol van de medisch specialistische revalidatiesector in deze crisis?
‘De revalidatieafdelingen in de ziekenhuizen stonden vanaf het begin in de frontlinie. De revalidatieartsen van die afdelingen werd meteen gevraagd om mee te denken en te helpen in de directe zorg voor coronapatiënten. Zij voeren bijvoorbeeld familiegesprekken om intensivisten te ontlasten en denken na over de zorg voor patiënten na de ziekenhuisopname. Een deel van die patiënten komt in aanmerking voor klinische of poliklinische revalidatie in een revalidatiecentrum.’

Wie bepaalt of een coronapatiënt na ziekenhuisopname naar een revalidatiecentrum gaat?
‘Doorgaans de revalidatiearts in het ziekenhuis. Die kijkt of medisch specialistische revalidatie nodig is, bijvoorbeeld omdat de patiënt ernstig is aangedaan, tevoren vitaal was en hij of zij graag weer wil werken.’

Zijn de centra adequaat op de crisis ingesprongen?
‘De elf bestaande Regionaal Overleg Acute Zorgketens – de ROAZ’s – zijn gebruikt om de zorg voor coronapatiënten snel op te schalen. De mate waarin en het moment waarop je als revalidatiecentrum voor die zorg wordt ingeschakeld, is afhankelijk van hoe je bent ingebed in zo’n regionaal netwerk. Daar waar om hulp werd gevraagd, is de revalidatiesector er goed op ingesprongen. Zo werden centra in sommige regio’s gevraagd ziekenhuizen te ondersteunen bij de opvang van coronapatiënten, door die zo snel mogelijk op te nemen zodra ze medisch stabiel waren. Omdat het hier slechts deels om medisch specialistische revalidatie gaat, wordt met zorgverzekeraars nog onderhandeld hoe ze deze zorg gaan betalen.’

De druk op de zorg in de ziekenhuizen is verminderd sinds het aantal coronapatiënten afneemt. Neemt die druk in de revalidatiecentra nu juist toe?
‘We hadden ons voorbereid op een toestroom van klinische coronapatiënten. Die lijkt nu mee te vallen. Patiënten hebben lang in het ziekenhuis gelegen en mochten gedurende die periode geen bezoek ontvangen. Iedereen wil graag naar huis en de familie weer ontmoeten. Wat we straks poliklinisch gaan zien, kan ik moeilijk voorspellen. Ik verwacht dat een deel van de patiënten toch minder snel opknapt dan ze hadden gehoopt. Zij zullen wellicht een beroep op ons doen. Daarom is het belangrijk dat de nazorg goed is geregeld.’

Als u terugblikt: wat ging er goed, wat minder en welk effect heeft de crisis op de reguliere revalidatiezorg?
‘Het was geweldig dat er regionaal snel werd geschakeld en iedereen zich flexibel opstelde en ging samenwerken, los van alle eigenbelang. Het patiëntbelang stond voorop. Dat gold ook voor de makers van REACH, een toolkit voor paramedici om patiënten na een ic-opname te behandelen. Hoewel het Amsterdam UMC en het Lectoraat Revalidatie in de Acute Zorg van de Hogeschool Amsterdam dit hulpmiddel nog volop in ontwikkeling hebben, mochten de revalidatiesector en de eerste lijn vanwege de coronacrisis het al gebruiken. Samen met het longnetwerk van de fysiotherapeuten hebben ze daar een module aan vastgeplakt over longrevalidatie. Zo konden fysiotherapeuten en diëtisten gebruik maken van instructiemateriaal en -filmpjes. Daarmee lag er een basis voor een revalidatieprogramma. Verder blijkt telerevalidatie, die versneld werd ingevoerd, voor een deel van onze andere patiënten prima te werken. Als we deze vorm van e-health voortzetten, kunnen we ruimte creëren voor nieuwe patiënten.’

Dat klinkt allemaal positief. Dus de revalidatiesector heeft veel geleerd van deze coronacrisis?
‘Dat klopt. Daar ben ik ook best trots op. Wat mij betreft moet de regionale samenwerking over de schotten heen structureel worden. En ik hoop dat de samenwerking tussen de revalidatieafdelingen van ziekenhuizen en revalidatiecentra blijft. Dat zijn geen concurrenten van elkaar, ze vullen elkaar juist mooi aan. Toch ben ik bang dat als de crisis voorbij is, iedereen weer het beste voor zijn eigen organisatie wil. Dergelijke ruis zie je helaas alweer langzaamaan ontstaan.’