Met ingang van dit schooljaar worden ‘speciale’ leerlingen zoveel mogelijk geplaatst op reguliere scholen. Dit gebeurt onder de noemer passend onderwijs. Hoewel iedereen dit idee toejuicht, zijn er ook zorgen over de invulling ervan. Zo hopen mytyl-/tyltylscholen en revalidatiecentra dat hun gezamenlijke doelgroep niet de dupe wordt van de maatregelen.

Het aantal kinderen met lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen dat speciaal onderwijs volgt, is de afgelopen decennia fors toegenomen. Dit is vooral te wijten aan de toestroom van kinderen met gedragsproblemen. De overheid wil de groei via passend onderwijs keren, door leerlingen zoveel mogelijk binnen het reguliere onderwijs onder te brengen. Niet alleen omdat speciaal onderwijs veel duurder is, ook omdat leerlingen vaak beter af zouden zijn op een gewone school in hun eigen vertrouwde woonomgeving. In deze maalstroom worden ook de kinderen van de mytyl-/tyltylscholen meegenomen. Bovendien hadden de ouders tot voor kort een stem bij de keuze of hun kind naar het speciaal onderwijs zou gaan. Voortaan zijn het de regionale samenwerkingsverbanden van scholen voor regulier en speciaal onderwijs die dit bepalen.

Niet op ingericht

Een van die samenwerkingsverbanden - in totaal zijn er 76 in het primair en 74 in het voortgezet onderwijs - richt zich op Nijmegen en omgeving. Ook de St. Maartenschool maakt er deel van uit. Deze mytyl-/tyltylschool op het terrein van de Sint Maartenskliniek in Nijmegen biedt speciaal onderwijs aan leerlingen met een lichamelijke of meervoudige handicap en aan langdurige zieke kinderen. Teamleider Eric Dankbaar vindt het passend onderwijs op zich een uitstekend idee. ‘We zijn er al jaren voorstander van dat gewone scholen ‘speciale’ leerlingen opvangen. Maar als een kind net wat meer verzorging nodig heeft of kampt met ernstige leerproblemen, dan wordt het moeilijk. De reguliere scholen zijn daar niet op ingericht, terwijl met de introductie van het passend onderwijs wel de kans bestaat dat een samenwerkingsverband zo’n kind naar een dergelijke school stuurt. Een ander probleem is dat deze kinderen vaak moeilijker aansluiting vinden en ondanks alle pestprotocollen op een gewone school soms toch worden gepest. Ze raken dan sociaal-emotioneel in de knoei en komen uiteindelijk alsnog bij ons terecht. Heel naar voor het kind en wij hebben er een hoop werk mee.’

Eén Kind Eén plan

De zorgen van Dankbaar richten zich op het volgend schooljaar als de samenwerkingsverbanden met eigen maten gaan meten. ‘De overheid gaat de bestaande gelden - er wordt volgens haar niet bezuinigd - verdelen over deze samenwerkingsverbanden. Ieder verband krijgt dus een zak geld die de betreffende scholen onderling moeten verdelen. Er zullen regionale verschillen ontstaan. Bovendien zijn wij als St. Maartenschool een klein en duur spelertje in dit veld, wat ook geldt voor andere mytyl-/tyltylscholen. Ik hoop niet dat we ondergesneeuwd raken en dat er alleen maar naar kosten wordt gekeken.’

Niet alleen het speciaal onderwijs dat een mytyl-/tyltylschool kan bieden, vindt Dankbaar belangrijk voor de kinderen die dat echt nodig hebben. Het intensieve contact tussen mytyl-/tyltylschool en revalidatiezorg biedt volgens hem eveneens grote voordelen. Zo krijgen de kinderen in de St. Maartenschool in hetzelfde gebouw ook de benodigde therapie van de Sint Maartenskliniek. Onderwijs en revalidatie zijn in nauw overleg met de ouders geheel afgestemd op de behoefte van ieder individueel kind. Dankbaar spreekt van Eén Kind Eén Plan (EKEP). ‘Bij kinderen op een gewone basisschool die fysio-, ergo-en/of logopedie vanuit de eerste lijn krijgen, zijn onderwijs en revalidatie niet of nauwelijks op elkaar afgestemd. Ook de zorgverleners werken meestal niet samen. Bij revalidatiecentra en mytyl-/tyltylscholen is dat doorgaans wel het geval. Ze versterken elkaar ook in hun aanpak. Dat vraagt uiteraard nogal wat afstemming en organisatie.’

Keurmerk

Om de buitenwereld straks duidelijk te maken dat scholen en therapeuten binnen het passend onderwijs per leerling nauw met elkaar samenwerken, komt er een zogenaamd EKEP-keurmerk. Dankbaar, voorzitter van de landelijke projectgroep die dit keurmerk ontwikkelt, licht toe dat zowel speciale en in de toekomst ook reguliere basisscholen als zorgverleners hiervoor in aanmerking kunnen komen, mits ze aantonen dat ze volgens het concept Eén Kind Eén Plan werken. Om deze partijen in staat te stellen dat bewijs te leveren, heeft de projectgroep kwaliteitsnormen voor scholen, revalidatie-instellingen en revalidatieartsen bij elkaar gelegd en waar zinvol voor dit doel in elkaar geschoven. Op basis daarvan zijn vragenlijsten ontwikkeld die leerkrachten, revalidatieartsen en ouders van leerlingen moeten invullen bij een aanvraag voor het keurmerk. Met de verkregen antwoorden ontstaat een beeld van de samenwerking, dat een visitatiecommissie kan gebruiken bij het toekennen van het keurmerk.

Dankbaar verwacht niet dat alle revalidatiecentra en mytyl-/tyltylscholen al direct een aanvraag zullen indienen, omdat het EKEP-concept nog niet overal voldoende is uitgewerkt. Bij de meeste scholen en centra is dat echter wel het geval.

Langere lijnen

De ontwikkeling van het EKEP-keurmerk is een van de projecten van LOOK, een vereniging met als doel de participatie van kinderen en jongeren met een lichamelijke beperking te bevorderen. Daarin zitten onder andere vertegenwoordigers van ouders, de zorg, het onderwijs en patiëntenorganisaties. Als afgevaardigde van Revalidatie Nederland zit Gerrie Eikelboom in LOOK. Zij is bestuurder van Revalidatie Friesland. Evenals Dankbaar maakt zij zich zorgen over het passend onderwijs. ‘Tot nu toe waren de lijnen kort tussen revalidatiecentra en mytyl-/tyltylscholen. Door de grotere regionale organisatorische verbanden krijg je langere lijnen en zal het ingewikkelder worden om kinderen met een lichamelijke beperking op de juiste en beste plek te krijgen. Die vanzelfsprekendheid die er altijd was, is er niet meer. De zorgtaak ligt nu bij de samenwerkingsverbanden. Als revalidatiecentra moeten we samen met de VRA, de vereniging van revalidatieartsen, alert zijn en onze krachten landelijk bundelen. Het belang voor de revalidatiesector is groot: ruim 25 procent van de totale revalidatie betreft kinderrevalidatie. Tevens moeten we de samenwerkingsverbanden en de reguliere scholen duidelijk maken dat wanneer de beperkingen van een kind toch ernstig blijken, ze ons alsnog inschakelen.’

Ambulante begeleiding

Als extra reden om het belang van jarenlange samenwerking tussen mytyl-/tyltylscholen en revalidatiecentra nog eens goed onder de aandacht te brengen, noemt Eikelboom het feit dat de mytyl-/tyltylscholen voortaan niet meer verantwoordelijk zijn voor de ambulante begeleiding in het reguliere onderwijs. ‘De samenwerkingsverbanden bepalen nu wat daarmee gebeurt. De huidige ambulant begeleiders kennen de mogelijkheden van de mytyl-/tyltylscholen en de revalidatiecentra goed. Ze weten precies welke adviezen ze de reguliere scholen moeten geven. Die deskundigheid en jarenlange ervaring kunnen verdwijnen als de directe contacten met de mytyl-/tyltylscholen en revalidatiecentra er niet meer zijn.’ Dankbaar beaamt dit risico. ‘Als St. Maartenschool hebben we ongeveer twintig ambulant begeleiders. Misschien blijven ze zoals nu in de reguliere scholen werken, maar het kan ook zijn dat die scholen eigen leerkrachten laten bijscholen.’

Stem van ouders

Ook kinderrevalidatieartsen zijn bang dat het nut van het speciaal onderwijs en de bijbehorende revalidatie wordt onderschat, weet Nienke Haga. Zelf is ze kinderrevalidatiearts bij Libra revalidatie & audiologie in Tilburg, adviseerde ze Eric Dankbaar bij de ontwikkeling van het EKEPkeurmerk en zit ze in de commissie Revalidatieartsen Mytylscholen.

Ze is blij met de ontwikkeling van het EKEP-keurmerk omdat de revalidatieartsen zich erg zorgen maken over de borging van de kwaliteit van de zorg voor het kind. Zij benadrukt nog eens dat reguliere scholen niet de uitgebreide expertise hebben over kinderen die zich anders ontwikkelen en ook geen verstand hebben van medische zaken. Ook denkt ze dat het lastiger wordt als reguliere scholen verbindingen leggen met behandelaars uit de eerste lijn, waardoor het maken van afspraken ingewikkelder wordt. Verder vraagt ze zich af of de privacy van het kind niet in het geding komt. ‘Waarschijnlijk gaan de reguliere scholen aan ons vragen wat het kind heeft. Nu proberen wij de kinderen in vaardigheden te beschrijven. We geven aan wat het kind wél kan zonder in te gaan op zijn medische problematiek. Wil je als kind en ouders dat je hele hebben en houden straks bij een samenwerkingsverband komt te liggen?’ Haga wijst erop dat de ouders in een turbulente en onzekere tijd terechtkomen. Zo lijkt hun keuzevrijheid in onderwijs te verdwijnen. BOSK, eveneens een LOOK-organisatie, maakt zich hier ook zorgen over. Met het project Ouders krijgen stem in samenwerkingsverbanden passend onderwijs wil deze belangenorganisatie ertoe bijdragen dat die verbanden ook naar de ouders luisteren en hen de vrijheid van onderwijskeuze geven. Haga: ‘Daarnaast gaan begin volgend jaar de jeugdzorg en de AWBZ ook nog eens naar de gemeenten. Er is dus ineens veel onduidelijkheid over onderwijs, zorg en financiën. We zijn bang dat de kinderen daar de dupe van worden en dat de overheid over een paar jaar inziet: dit was toch niet zo’n goede keuze, laten we het maar weer anders doen.’

Een filmpje over dit onderwerp staat op www.revalidatiemagazine.nl.