Een hoogleraar in de revalidatie aan het woord

Gert Kwakkel (IJsselmuiden, 1960) studeerde fysiotherapie en bewegingswetenschappen. Hij werkte als fysiotherapeut op de afdeling neurologie van het VU medisch centrum en promoveerde daar in 1998 op de meerwaarde van vroegtijdige intensieve oefentherapie na een beroerte. Sinds 2008 is hij hoogleraar neurorevalidatie aan het VUmc en verbonden aan centrum voor revalidatie en reumatologie Reade. Verder is hij voorzitter van de Dutch Society of Neurorehabilitation en European managing editor van het vakblad ‘Neurohabilitation and Neural Repair’. Kwakkel is getrouwd. Hardlopen is zijn favoriete hobby.

Ongeveer 80 procent van de mensen die een beroerte krijgen, raakt halfzijdig verlamd. De eerste weken na zo’n CVA proberen de hersenen de schade te herstellen. Deze ‘plasticiteit’ van het brein is het centrale thema waar Gert Kwakkel zich al vele jaren mee bezighoudt. Hij is hoogleraar neurorevalidatie aan het VU medisch centrum in Amsterdam. ‘Direct na een beroerte maken de hersenen bijvoorbeeld meer eiwitten aan voor de zenuwgroei. Helaas wordt die zenuwgroei na drie tot vier weken alweer afgeremd. Uit proefdieronderzoek is gebleken dat vroegtijdig starten met oefenen na een beroerte de zenuwgroei weer kan bevorderen. Of dit leidt tot een betere bewegingssturing, is nog maar de vraag.’

Om dit te weten te komen, startte Kwakkels groep vijf jaar geleden samen met andere academische centra en revalidatiecentra het onderzoek EXplaining PLastICITy after Stroke (EXPLICIT-stroke). Sinds die tijd zijn 160 patiënten direct na een beroerte in deze studie opgenomen, vertelt hij. ‘Patiënten die binnen tien dagen na de beroerte hun vingers in de aangedane hand konden strekken, hebben we een vorm van therapie gegeven waarbij hun gezonde arm werd geïmmobiliseerd. Therapeuten trainden de verlamde arm minimaal een uur per dag, vijf dagen per week en drie weken lang. Bij patiënten die hun vingers niet konden strekken, hebben we de strekspieren van pols en vingers elektrisch gestimuleerd. Om het effect te meten, hebben we beide interventies vergeleken met de gangbare therapie bij controlegroepen.’

Alle behandelingen zijn achter de rug en de onderzoekers zijn bezig met analyse van de resultaten. Tijdens deze afrondende fase is Kwakkel alweer bezig met een volgend onderzoek naar breinplasticiteit, waarvoor hij samen met de TU Delft een forse subsidie heeft gekregen. ‘We zijn benieuwd wat er precies in de hersenen gebeurt bij spontaan herstel. Daarvoor willen we ongeveer vijftig patiënten na een beroerte met EEG onderzoeken. Direct na de beroerte en op latere momenten leggen we patiënten pols-handbewegingen op met een haptische robot. Met EMG meten we tegelijkertijd de spieractiviteit van de onderarm. Zo krijgen we inzicht in hoe patronen van hersenactivatie zich aanpassen bij het meebewegen met de verstoringen die door de robot over de pols-hand worden aangebracht.’

Uiteindelijk willen Kwakkel en zijn medeonderzoekers achterhalen wat hersenplasticiteit is en hoe revalidatie die positief kan beïnvloeden. Zijn hypothese is dat therapie ervoor zorgt dat patiënten zich aanpassen aan neurologisch functieverlies. ‘Het is niet zo, zoals we vroeger dachten, dat door oefeningen functies worden hersteld die door de beroerte zijn weggevallen. Wel kunnen neurale netwerken zich zo aanpassen, dat ze in staat zijn met de neurologische stoornissen om te gaan. Dit maakt dat de bewegingssturing van CVA-patiënten niet te vergelijken is met de aansturing zoals we die kennen bij gezonde mensen.’

Het volgende plan van Kwakkel is om bepaalde hersengebieden elektrisch te stimuleren. Zo hoopt hij het aanpassend vermogen van de neurale netwerken een extra steuntje in de rug te geven. Hij benadrukt dat al dit soort onderzoek alleen zinvol is als landelijk wordt samengewerkt, zoals bij het EXPLICIT-stroke-onderzoek. ‘Als revalidatiecentra moeten we op het gebied van de neurorevalidatie de handen nog meer ineenslaan en ook samenwerken met andere onderzoekdisciplines, zoals de neurofysiologie en neuroradiologie. Neurorevalidatie is alleen gebaat bij robuuste, kwalitatief goede studies, waarbij dezelfde patiënt vanuit verschillende invalshoeken nauwkeurig in de tijd in kaart wordt gebracht.’