Inspectie op bezoek

Vorig jaar bezocht de Inspectie voor de Gezondheidszorg alle eenentwintig locaties waar revalidatie-instellingen klinische revalidatie verzorgen. Het was voor het eerst dat de revalidatiesector op deze manier onder de loep werd genomen. Niet alles was perfect in orde, zegt de inspectie, maar de sector pakt de verbeterpunten snel en goed op.

‘De sector heeft ons heel positief ontvangen’, vertelt Daniël van Schaik, projectleider en senior inspecteur bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. ‘Revalidatie Nederland en de vereniging van revalidatieartsen VRA stelden zich open en lerend op, en die houding troffen we ook bij veruit de meeste instellingen aan. We konden alles zien en aan iedereen vragen stellen. Dat was een heel plezierige manier van werken.’ Ook Jeroen Smale, beleidsmedewerker bij Revalidatie Nederland, heeft de inspectieronde positief ervaren. ‘We zijn blij dat de inspectie langs is gekomen. We vinden kwaliteit en patiëntveiligheid heel belangrijk en werken daar zelf voortdurend aan. Wanneer de inspectie daar door een andere bril naar kijkt, kan dat alleen maar helpen om de situatie verder te verbeteren.’

Beperkt zicht

‘Patiënten worden steeds eerder ontslagen uit het ziekenhuis’, licht Van Schaik de achtergrond van de inspectieronde toe. ‘Complexe patiënten gaan dus steeds eerder naar het revalidatiecentrum. Deze patiënten hebben meer, en specialistischer zorg nodig. Daar moeten de centra op ingericht zijn.’ De inspectie had maar beperkt zicht op de klinische medisch specialistische revalidatie, en op de risico’s in deze sector rond patiëntveiligheid en kwaliteit van zorg. ‘Revalidatiecentra worden niet, zoals ziekenhuizen, door ons gemonitord met standaard indicatoren. Verder komen er nauwelijks meldingen van calamiteiten uit de centra, dus ook langs die weg kregen we een beperkt beeld. Terwijl ook de revalidatie te maken heeft met risico’s rond, bijvoorbeeld, infectiepreventie. Daarom wilden we de centra specifiek onder de loep nemen.’

Tien thema’s

Om een beter beeld te kunnen vormen, bracht de inspectie eerst de mogelijke risico’s in kaart. ‘Om die op het spoor te komen, keken we naar bekende risico’s in de ziekenhuiszorg en de verpleeghuiszorg, want beide sectoren vertonen overeenkomsten met revalidatie.’ In overleg met Revalidatie Nederland en de VRA stelde de inspectie vervolgens prioriteiten. ‘Zo kwamen we uit op tien thema’s, zoals functioneren, intern incident melden, melden calamiteiten bij de inspectie, scholing van het personeel en het bestuur van de organisatie. Daarbij gingen we na of er algemene richtlijnen waren voor ieder thema, die we in het toetsingskader konden gebruiken. Want de inspectie maakt geen richtlijnen. Wij toetsen het veld op de richtlijnen die het zelf heeft ontwikkeld.’ De tien thema’s werden op hoofdlijnen getoetst.

Drie grote verbeterpunten

Op zeven van de tien thema’s hadden de revalidatiecentra de zaken in grote lijnen op orde, al gold dat niet voor elk centrum op elk punt. Op drie punten ‘heeft de sector nog een weg te gaan’, zo bleek maart 2016 bij de publicatie van het rapport Klinische revalidatie op weg naar verdere professionalisering’. Om te beginnen het infectiepreventiebeleid. ‘Een probleem was de screening van nieuwe patiënten op resistente micro-organismen als MRSA. Geen enkel centrum deed een screening, omdat ze ervan uitgingen dat dat in het ziekenhuis al was gebeurd. Maar de screening daar verloopt lang niet altijd goed, dus komen er ook risicovolle patiënten naar het revalidatiecentrum. Elke nieuwe schakel in de zorg heeft zijn eigen verantwoordelijkheid.’

Ook rond de medicatieveiligheidakon het beter. De inspectie trof verlopen medicatie aan, of medicatie van patiënten die al waren ontslagen. Verder was het beleid bij een aantal centra rond opiaten niet op orde. Daar gingen zij te makkelijk mee om. ‘Deze medicatie moet je achter slot en grendel bewaren, de controle op uitreiken moet altijd door twee personen gebeuren en er moet een goede, kloppende registratie zijn. Op al deze punten troffen we gebreken aan.’ Verder beschikten niet alle centra over een elektronisch voorschrijfsysteem, en was de medicatieoverdracht niet overal even goed geregeld.

Het derde punt dat beter kon, was de omgang met medische technologie. ‘Het convenant medische technologie omschrijft hoe zorginstellingen moeten omgaan met medische apparatuur, zoals tilliften, infuuspompen en andere medische hulpmiddelen zoals infuusnaalden en andere disposables. Veel instellingen beschikten nog niet over een goed beheersysteem voor apparatuur en onderhoud daarvan.’ De inspectie verwacht dat de sector zich verder blijft ontwikkelen, zodat zij ook bij een grondiger toetsing van deze thema’s in de toekomst overeind blijft. Dat vraagt nog aandacht van het veld, dat zich daarvan bewust is, zegt Van Schaik.

Concrete verbeteringen

Afgelopen september organiseerde de inspectie een invitational conference, over het totaal aan onderzoeksresultaten. Inspecteur Van Schaik: ‘Daar denk ik met veel plezier aan terug. We hebben goede discussies gehad, en concrete afspraken kunnen maken.’ Die afspraken resulteerden erin dat de centra begin 2016 alle knelpunten hadden opgelost, of daarvoor plannen van aanpak hadden gemaakt. Jeroen Smale van Revalidatie Nederland: ‘Inmiddels hebben de instellingen op vrijwel elk punt waarop ze een te lage score hadden concrete verbeteringen doorgevoerd.’ Dit is naast enkele grote thema’s die sectorbreed worden opgepakt. Smale: ‘Met die thema’s maken Revalidatie Nederland en VRA een eerste slag, om de instellingen op weg te helpen. Zo hebben we een handreiking gemaakt rond het implementeren van het convenant medische technologie. Hoe kun je bijvoorbeeld de projectorganisatie het beste inrichten? Hoe borg je de kwaliteit?’ Rond de infectiepreventie gaan Revalidatie Nederland en VRA, samen met de landelijke Werkgroep Infectiepreventie, een richtlijn ontwikkelen voor de revalidatiesector. En op medicatiegebied heeft Revalidatie Nederland het beschikken over een elektronisch voorschrijfsysteem en het systematisch aanpakken van de medicatieoverdracht opgenomen in de set prestatieindicatoren. ‘Met die set zijn onze leden transparant over de kwaliteit die ze leveren, dus de instellingen zullen er harder aan trekken om dit goed te regelen.’

Voortvarend

Alles overziend is de sector goed op weg, vinden beide woordvoerders. ‘De instellingen zijn voortvarend met de opmerkingen van de inspectie aan de gang gegaan’, stelt Smale. ‘We zijn al een heel eind op streek, al gaat het op sommige punten wat langer duren. Als sector stellen we de rol van de inspectie op prijs. We blijven heel graag met de inspectie in overleg over kwaliteit en veiligheid.’ Van Schaik: ‘En wij willen vanuit de inspectie op onze beurt de revalidatiesector graag vooruit helpen. We hadden ook niet anders verwacht dan dat de sector de resultaten voortvarend ter hand zou nemen. Vanaf juli 2016 zullen we de sector toetsen in het reguliere toezicht, waarbij we jaarlijks nog enkele revalidatiecentra bezoeken als steekproef.’

Nog een paar punten: 
Basismedische zorg, screening en complicatieregistratie

Naast de drie hoofdpunten die beter konden noemde de inspectie nog een paar punten, vertelde Jeroen Smale van Revalidatie Nederland. ‘De inspectie had opmerkingen over de basis-medische zorg. Momenteel onderzoekt de vereniging van revalidatieartsen VRA welke scholing specifiek nodig is om aan de eisen daarover te voldoen.’ Daarnaast constateerde de inspectie tekortkomingen in de verpleegkundige screeningen en de registratie van complicaties, iets wat in de ziekenhuizen al jaren is ingevoerd. ‘De VRA geeft aan welke complicaties geregistreerd moeten worden. Momenteel zijn dat alleen complicaties ten gevolge van de toepassing van fenol en botulinetoxine. De inspectie vroeg zich af of niet ook andere complicaties voorkomen die je zou moeten registreren. Daarmee samenhangend gaf de inspectie aan dat het verstandig is om nieuwe patiënten op meer punten verpleegkundig te screenen dan nu gebeurt, bijvoorbeeld ook op valrisico, decubitus, delier en ondervoeding. De VRA gaat met deze suggesties aan de slag.’