Vier jaar geleden leidde Fleur Jong een onbekommerd leven: ‘Ik was bijna zeventien en bezig met school, vriendinnen, uitgaan en dansen.’ Dansen deed ze op hoog niveau, met een team dat uitkwam op de Nederlandse kampioenschappen. Maar toen nam haar leven plotseling een wending, door een agressieve bacterie die in haar bloedbaan terechtkwam. ‘Ik was niet lekker, een griepje dacht ik. Het volgende dat ik weet is dat ik langzaam weer bijkwam in het ziekenhuis.’ Drie weken was ze in slaap gehouden, tot het levensgevaar was geweken. ‘Ik was nog heel ziek en zat onder de medicijnen. Er was niet veel van me over.’

Door de bacterie waren Fleurs onderbenen te weinig door­bloed geweest, net als de bovenkanten van acht vingers. Dus toen ze genoeg was aangesterkt werden die geampu­teerd. Fleur praat er nuchter over. ‘Het moest gewoon gebeuren en vanaf dat moment kon ik voor mijn gevoel eindelijk echt gaan opbouwen. Zo ben ik ook opgevoed: als er iets vervelends gebeurt mag je boos of verdrietig zijn, maar daarna is het wel klaar en ga je weer verder. Je moet niet blijven hangen. Dat heb ik ook niet gedaan. Ik wist nog niet wat mijn situatie zou zijn of hoe dat moest, leven zonder benen, maar dacht: ik zie wel hoe het zich allemaal oplost.’  

Na drie maanden in het ziekenhuis volgden twee maanden reva­lidatie, grotendeels poliklinisch. ‘Het was vooral weer conditie opbouwen en sterker worden.’ Al snel vroeg Fleur zich af hoe dat nou moest met sport, want dansen zou niet meer lukken. Ze kwam terecht bij een talentendag van NOC*NSF en vanaf dat moment ging het hard. Ze begon met rennen, gewoon op haar dagelijkse prothesen ‘In de media zie je altijd blades, maar die heb je pas nodig als je op topniveau gaat sporten’ en maakte zeer snel vor­deringen. Tot ze haar schooldiploma had gehaald en voor de keus stond: verder leren of zich helemaal toeleggen op de sport. Ze besloot tot het laatste, verwierf de HP-status en werd full-time spor­ter. Tweeënhalf jaar nadat ze ziek was snel vorderingen. Tot ze haar schooldiploma had geworden stond ze op het wereldkampioenschap gehaald en voor de keus stond: verder leren of atletiek, waar ze brons won op de 200 meter.

Fleur geniet van haar leven als topsporter. ‘Het is de leukste baan die je kunt hebben. Ik mag elke dag doen wat ik het liefste doe en elke dag probeer ik weer beter te worden. Het is geweldig dat ik bij de Paralympische Spelen kan zijn, en natuurlijk wil ik heel graag een medaille winnen. Maar het enige dat écht telt is dat ik mijn beste race ooit loop. Je hebt toch niet in de hand wat de anderen doen, alleen wat je zelf doet. Wat er ná Rio gaat gebeuren weet ik niet, daar denk ik nog niet over na. Vroeger plande ik veel, maar dat heb ik losgelaten. Ik weet dat het ineens zomaar helemaal anders kan lopen. Je moet niet zo moeilijk denken, maar gewoon gáán en dan wijst het zich vanzelf. Kinderen doen dat ook zo. Ik was laatst bij een open training en daar waren kinderen met allerlei beperkingen. Zij vroegen zich echt niet af of iets wel zou lukken en gooiden zich er gewoon in. Als je dat doet, kun je vaak meer dan je zelf denkt.’  

Atletiek, zegt Fleur, is ontzettend goed voor iedereen die met prothe­sen loopt. ‘Je moet met overtuiging je passen zetten net zoals met je echte benen en dat doe je als je vertrouwt op je prothesen en op je eigen vaardigheden. Door atletiek krijg je een heel goede basis. Je merkt wat je allemaal kunt op je protheses, leert nieuwe trucjes, je houding verbetert. Ik liep binnen de kortste keren heel goed op mijn nieuwe benen, dankzij de atletiek.’  

Volg de paralympische ploeg op www.teamNL.org

Fleur Jong heeft een advies voor revalidatieprofessionals: ‘Wees minder voorzichtig’  

Fleur Jong: ‘Mijn ervaring is, en ik hoor dat van meer paralympische sporters, dat behandelaars soms te voorzichtig zijn. Het is logisch dat je je revalidanten heel wilt houden, maar ze kunnen vaak meer aan dan je denkt. Tegen mij zei de arts in het zieken­huis dat ik niet meer zou kunnen lopen, terwijl zij dat hele­maal niet kon weten. Je moet mensen niet zulke boodschap­pen meegeven, dat kan heel demotiverend werken. Je moet ze juist stimuleren om dingen uit te proberen en je moet ze helpen om grenzen te verkennen. Ieder mens is anders en wil weer andere dingen, en dus moet je als therapeut samen met de revalidant uitzoeken hoe ver iemand kan komen.’