Romy Rupke (18 jaar) was moe, altijd maar moe. na haar eerste schooldag in het examenjaar van de havo kwam ze thuis, plofte neer op de keukenvloer en kon niet meer omhoog komen. uiteindelijk werd het chronisch vermoeidheidssyndroom vastgesteld (CVS).

‘Ik was al jaren moe en had allerlei vage klachten toen ze er op mijn elfde achter kwamen dat mijn schildklier niet werkte. Sindsdien gebruik ik daarvoor medicijnen. De moeheid bleef en op de middelbare school werd dat alleen maar erger, omdat er daar steeds meer van je gevraagd wordt. Toch ging ik door: school, vrienden, een baantje, uitgaan. Mijn ouders zeiden regelmatig dat ik moest gaan liggen, maar daar had ik geen zin in, of ik verbloemde dat ik moe was. Ik was geen prater en dacht: “Het gaat vanzelf wel over als ik maar gewoon doorzet.” Van nature ben ik een enorme doorzetter, dus dat kwam mooi uit. Op een gegeven moment was ik zo moe dat ik niks meer kon. Ik zat de hele dag thuis en zag niemand meer. Tegen vrienden durfde ik het niet te zeggen en ik verzon smoesjes dat ik thuis moest blijven van mijn ouders. ’s Nachts lag ik wakker van de hartkloppingen en stress en overdag sliep ik.

Na onderzoek constateerden ze in het ziekenhuis chronische vermoeidheid en kreeg ik cognitieve gedragstherapie. De wekelijkse gesprekken en de oefeningen die ik meekreeg voor thuis waren niet genoeg, ik bleef moe. Daarom werd ik opgenomen in een revalidatiecentrum. Daar leerde ik mijn grenzen voelen tijdens sporten en fysiotherapie, door er juist eerst overheen te gaan, zodat ik later op tijd zou kunnen stoppen, voordat ik te moe werd. Bij de psycholoog leerde ik om mijn grens te verwoorden en open te zijn, want als je je grens wel voelt, maar niet aan kan geven, heb je er nog niks aan. Ik was altijd erg gesloten en vooral bezig met wat anderen wilden. Daardoor kostten vriendschappen me vaak energie. Tegenwoordig neem ik gewoon even afstand als het me teveel wordt. Door mijn openheid veranderde het thuis ook. We zijn een hecht gezin en deden veel samen, nu nog, maar ik zeg het eerder als ik geen zin heb om mee te gaan, of als het niet goed met me gaat. Dat is voor iedereen duidelijk en het grappige is dat we daardoor allemaal nu iets meer doen wat we zelf graag willen.

Eigenlijk zijn mijn lichaam en geest opnieuw opgestart tijdens mijn revalidatie. Zonder hulp, tijdelijk een andere omgeving, het strakke therapieschema en de verplichte halve uurtjes rust had ik dit nooit bereikt. Ik zit weer goed in mijn vel, slaap ’s nachts in plaats van overdag, ga weer naar school en doe dit jaar mijn havo-examen, heb een leuke nieuwe vriendenclub, voel minder stress en ga weer uit. Wel ben ik nog steeds gevoelig voor moeheid, maar ik ga er anders mee om. Als ik uit school kom, ga ik eerst even zitten of een half uurtje liggen, en ik kies bijvoorbeeld voor een halve schooldag als ik ’s avonds een leuk feestje heb. Leuke dingen doen is belangrijk, ze leveren je energie op. Ook heb ik besloten dat ik na de havo een mbo-opleiding ga doen in plaats van hbo, gewoon omdat het beter bij me past en minder van me vraagt.’