Ronald Hertog (23 jaar) verloor als veertienjarige jongen door een ernstig auto-ongeluk zijn rechter onderbeen. Tijdens zijn revalidatie kreeg hij een prothese. De uitdaging om hiermee goed te kunnen sporten, leidde uiteindelijk tot olympisch succes. Afgelopen zomer won Ronald een bronzen plak met speerwerpen tijdens de Paralympische Spelen in Londen.

‘Het sporten zat er al vroeg in. Ik speelde fanatiek korfbal en was, in tegenstelling tot veel van mijn leeftijdgenoten die binnen zaten te gamen, altijd buiten te vinden met een bal. Dat ik weer wilde sporten na het ongeluk stond dan ook vast. De vraag was alleen nog wat ik zou gaan doen.
Vrijwel direct na mijn ziekenhuisverblijf ben ik gaan revalideren, de eerste zes maanden zonder prothese omdat mijn huid moest herstellen na een huidtransplantatie. Toen ik eenmaal een prothese had, liep ik binnen twee maanden. Omdat dat eerst nog moeizaam ging, begon ik met een looptraining bij een atletiekclub. Daar werd het lopen al snel hardlopen, maar door heftige pijnklachten aan mijn stomp moest ik noodgedwongen overstappen naar een andere discipline. Het werd speerwerpen.

Ik vond het meteen leuk en het ging goed. De trainingen werden uitgebreid en ik bleef mijn grenzen verleggen. Een half jaar na mijn eerste speerwerptraining gooide ik een Nederlands record op de Nederlandse Open Kampioenschappen. Daarna volgden overwinningen op het EK en WK, in 2008 een vierde plaats op de Paralympische Spelen in Peking en afgelopen zomer dus een bronzen medaille in Londen. Wat ooit begon als revalideren, groeide uit tot topsport. Het zit in me om de beste te willen zijn. Dat moet ook, want als je tevreden bent met een tweede plaats ben je geen topsporter. Of die drive te maken heeft met mijn beperking, kan ik niet zeggen. Wel weet ik dat ik moeilijkheden zie als uitdagingen. Als we tijdens een training hordesprongen hebben van één meter zestien, waarbij anderen denken “dat kan ik niet”, denk ik “ik doe het, ik gá eroverheen!” En mijn prothese zie ik niet als obstakel, maar als een instrument dat ik kan bespelen, precies zoals ik het wil.

Sinds zes jaar kan ik dankzij sponsoren zoals Frank by Frank Jol en Ottobock mijn sport als beroep uitoefenen. Neem alleen al de protheses: die zijn zo kostbaar, die kun je anders niet betalen. Ik heb er voor mijn sport drie in gebruik: voor het speerwerpen, maar ook voor het joggen en voor het sprinten. Want ik doe ook andere dingen tijdens de trainingen, om het speerwerpen te ondersteunen. Ik train vijf dagen per week, vier uur per dag, De overige dagen rust ik, zodat mijn lichaam kan herstellen. De trainingen zijn hetzelfde als die van valide atleten, maar of ik ooit hetzelfde niveau kan halen, durf ik niet te zeggen. Het is wel een droom van mij. Maar ik kan minder kracht zetten met mijn rechterbeen en de aansturing van het been blijft een probleem. Behalve op kracht train ik dus ook op coördinatie.
Ik focus me nu op de Paralympische Spelen van 2016 in Rio de Janeiro.

Natuurlijk ga ik voor goud, net zoals ik in Londen deed. Dat ik het niet haalde, was een teleurstelling. Ik wierp er niet mijn beste wedstrijd, maar het blijft een mooie prestatie op zo’n groot toernooi. Na elke olympiade wordt er uitgebreid geëvalueerd. Met mijn oude trainster was het een beetje op. Ik ben nu op zoek naar een andere trainer die mij weer nieuwe impulsen kan geven.’