Dit voorjaar mocht ik voor de derde keer als verslaggever van de NOS naar de Paralympische Spelen. Het was weer een immense belevenis! Wat voor homo’s de Gay Pride is, zijn de Paralympics voor mensen met een beperking. Een sportfeest waar het niet uitmaakt of je niet kunt lopen, niet kunt zien of een been mist. Sterker nog: als je géén ledematen mist en al je zintuigen het nog volledig doen hoor je er eigenlijk niet helemaal bij.

Ik zit aan de rand van de piste. Een man achter mij is voor het eerst op de Paralympics en kijkt zijn ogen uit. Hij heeft de hele ochtend blinde skiërs naar beneden zien komen en vraagt mij: ‘Hoe weten ze in hemelsnaam waar de poortjes staan?’ Ik leg uit dat de gids voorop skiet, gevolgd door een blinde skiër. ‘Oh,’ zegt hij. ‘Dus die voorste kan gewoon zien? Ik dacht de hele tijd dat het twee blinden waren die een wedstrijd tegen elkaar deden!’

Ik zie voor het eerst in twintig jaar weer besneeuwde bergen. Vroeger ging ik vaak op wintersport. Toen ik mijn dwarslaesie kreeg, dacht ik dat skiën voor mij voorgoed voorbij was. Het leek mij niks: met rolstoel door de sneeuw heen een steile berg op. Nu ik het zitskiën van dichtbij heb gezien, lijkt het mij geweldig om dat toch eens uit te proberen. Wat zou het mooi zijn om over een paar jaar samen met mijn kinderen op skivakantie te gaan en tochtjes met ze te maken. Daar zijn de Spelen voor bedoeld: mensen inspireren te gaan sporten.

Terwijl de atleten op de piste tegen elkaar strijden, zitten vrienden en familie op de tribune. Soms zullen die misschien even terugdenken aan de tranen van verdriet die lang geleden vloeiden rondom een ziekenhuisbed omdat er iets mis was met hun dierbare. Nu zijn er wéér tranen: van trots!