Koos Alberts (71) zanger van het levenslied, goed voor de verkoop van meer dan een miljoen platen, kreeg op zijn veertigste een ernstig ongeluk en zit sindsdien in een rolstoel. Zijn album 'Het leven gaat door', dat een jaar na zijn ongeluk werd uitgebracht, werd een bestseller. Een toepasselijke titel, zegt Koos dertig jaar later. ‘Hoe moeilijk het soms is, je moet wat van het leven maken.’

 

‘Op de terugweg van een optreden viel ik in slaap en vloog mijn auto uit de bocht. De gevolgen waren ernstig: een hoge dwarslaesie. Mijn wereld stortte in. Het ergste vond ik dat ik nooit meer kon voetballen. Als spits van een elftal met oud internationals trapte ik een aardig balletje mee. Praten lukte lange tijd ook niet, dat heb ik weer moeten leren. De media stortten zich bovenop me. Ik vond het verschrikkelijk dat mensen me zo zagen, ik kon er totaal niet mee omgaan. In het ziekenhuis trok ik een laken over mijn gezicht als ik naar de röntgenafdeling werd gebracht. En later in het revalidatiecentrum, waar mijn kamergenoten ineens heel veel bezoek kregen vanaf het moment dat ik daar lag, wilde ik eigenlijk alleen maar naar huis. Ik was een moeilijke revalidant, wilde mijn bed niet uit, omdat mensen me dan konden zien, had heimwee en zat lang vreselijk diep in de put.

In totaal revalideerde ik een jaar, waarvan ik de laatste maanden dagelijks vanuit huis op en neer reed naar het revalidatiecentrum, om thuis te kunnen slapen. Mijn gezin, maar ook mijn fans zorgden ervoor dat ik de moed niet opgaf. Van mijn fans ontving ik 180.000 briefkaarten in die tijd! Er werden rekken naast mijn bed gezet om ze in te doen. De eerste keer dat ik de studio weer in ging moest ik huilen, zingen lukte niet. Een van mijn stembanden was verlamd. Door veel te oefenen, leerde ik mijn stem weer te gebruiken. Als ik zong, liet mijn goede stemband de verlamde meetrillen, waardoor het zingen op een gegeven moment zelfs makkelijker ging dan praten. Als ik nu mijn stem terugluister van voor het ongeluk hoor ik nog amper verschil.

Voor mijn zangcarrière was ik metselaar en timmerman. Vanuit mijn rolstoel heb ik jarenlang heel wat afgeklust in mijn huis. Tegenwoordig laat ik alles doen, omdat ik teveel pijn heb aan mijn armen en aan mijn onderkant. Dat laatste is fantoompijn, want door mijn dwarslaesie kan ik daar eigenlijk niets meer voelen. Als er thuis wordt geklust zorg ik altijd dat ik weg ben, omdat ik vind dat ik het zelf veel beter kan. Inmiddels ben ik de zeventig gepasseerd en ook al is dat een leeftijd dat anderen allang met pensioen zijn, ik treed nog steeds een paar keer per maand op in het land. En binnenkort ga ik de studio weer in voor een nieuwe single. Zolang ik het leuk blijf vinden, ga ik door. Nog steeds word ik blij als ik mijn fans tijdens optredens uit volle borst mijn nummers mee hoor zingen. Soms staan daar zelfs veertienjarigen tussen. Prachtig toch!

Het moeilijkste aan mijn dwarslaesie vind ik niet dat ik niet kan lopen, daaraan ben ik na al die jaren gewend geraakt. Gek genoeg kan ik in mijn dromen overigens altijd wel lopen. Maar wat ik vreselijk vind, is dat ik niet zelf naar de wc kan. Joke moet altijd helpen, want anders komt het niet op gang. Een stoma wil ik niet. En dat seks niet meer lukt, dat vind ik ook erg. In mijn hoofd wil ik heus wel, maar mijn lijf doet niet mee. Ik geloof dat ze daar in de toekomst vast iets voor zullen vinden. Maar of ik dat nog ga meemaken?

Jaarlijks kom ik voor controle bij de revalidatiearts en dan bespreken we uitgebreid hoe het me gaat. Behalve de pijn die ik altijd voel aan mijn onderkant gaat eigenlijk alles goed. Aan die pijn hebben ze al van alles geprobeerd te doen, maar helaas is er tot nu toe nog niets dat echt helpt. Toch vind ik dat ik ondanks alles een mooi leven heb en prijs me een gelukkig man met mijn kinderen, kleinkinderen en een vrouw als Joke. Zij doet alles voor me, waardoor ik geen thuiszorg nodig heb. We zijn we al ruim vijftig jaar getrouwd. Zonder Joke zou ik me geen raad weten!’