Jetta Klijnsma (60 jaar), oud-staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en kersverse commissaris van de koning in Drenthe, heeft al haar hele leven spastische benen. Op haar dertiende verbleef ze een half jaar lang in een revalidatiecentrum. Terwijl zij daar vooruitging en opnieuw leerde lopen, zag ze er ook kinderen die niet meer beter werden. ’Dat vond ik zo heftig en oneerlijk. Voor hen moest er ook een oplossing komen. Waarschijnlijk komt daar mijn strijdlust vandaan.’

Als jong meisje stond ik er niet bij stil dat ik een lijf met mankementen had, ik wist niet beter. Dat ik om de haverklap omviel en moeilijk liep, hoorde bij mij. Ik kon misschien niet met alle spelletjes meedoen, maar van de andere kinderen mócht dat altijd wel. Ik was gewoon een van hen. Mijn ouders kregen het advies om mij naar een mytylschool te laten gaan, maar wilden dat ik naar een gewone school ging. Ze zagen dat ik qua intelligentie goed mee kon komen, alleen mijn benen deden het niet. Alle ouders willen natuurlijk dat hun kind een zo gewoon mogelijk leven kan leiden, maar je moet wel kijken of het kind dat trekt. In mijn geval was het een goede keuze.’


Zelfstandig

‘Rond mijn dertiende onderging ik een zware operatie en werden de pezen in mijn benen verlengd, waardoor ik mijn hakken weer op de grond kon krijgen. Daarna lag ik maanden plat op bed in een gipsbroek en werd ik door mijn ouders verzorgd. Toen die broek uit mocht, moest ik opnieuw leren lopen en ging ik naar een revalidatiecentrum. In die tijd verbleef je daar intern en mochten je ouders twee keer per maand op bezoek komen. In het begin had ik heimwee en werd ik geconfronteerd met mijn beperking, maar al snel dacht ik: “Oké, dit is zo, hier moet ik mee leven.” Ik werd snel zelfstandig en vond dat ik geluk had in vergelijking met anderen. Ik ging vooruit en werd letterlijk weer op mijn benen geholpen. Maar er waren daar ook kinderen met ernstige spierdystrofie of polio die steeds slechter werden en soms zelfs doodgingen. Dat hakte erin, het maakte mij verdrietig en boos; zij moesten toch ook geholpen kunnen worden. Ik denk dat toen mijn strijdlust ontstond om iets voor elkaar te krijgen; daarom ben ik later de politiek ingegaan.’


Geduld

‘Mijn ouders hebben altijd veel voor mij gedaan. Toen ik jong was, was het een unicum dat er twee keer per week een fysiotherapeut bij ons thuis kwam om mij te masseren en op te rekken. Ze waren niet rijk en spaarden daarvoor, zo belangrijk vonden ze dat. Mijn ouders hadden ook eindeloos geduld met mij. Om me te leren fietsen of traplopen, om ontelbare keren mijn maillots te stoppen en de kale neuzen van mijn schoenen te poetsen - wat nodig was omdat ik altijd viel. Toen ik 27 was realiseerde ik me dit pas. Met een grote bos bloemen ben ik toen naar ze toe gegaan en heb ze bedankt voor alles wat ze voor me gedaan hadden.’


Beweging

‘In mijn werk is mijn handicap nooit een probleem geweest. Ik heb het geluk dat ik veel energie heb, waardoor ik lange dagen kan maken. Als staatssecretaris mag je gebruikmaken van een dienstauto met chauffeur, in mijn geval was dat een diensttandem met chauffeur. Heel leuk, want ik werd vaak herkend in de stad. Mensen fietsten dan een stuk met me mee en maakten een praatje. Door het fietsen blijf je in beweging, dat vind ik belangrijk. Als mijn volle agenda het toelaat ga ik ook twee keer per week naar hydrotherapie. Dat warme water is heerlijk voor die verkrampte spieren. In de meeste revalidatiecentra hebben ze die warmwaterbaden voor hun revalidanten, maar ze staan ’s avonds en in de weekeinden vaak leeg. Zonde, want iedereen met een spier- of gewrichtsaandoening zou daar eigenlijk gebruik van moeten kunnen maken.’


Drempels

‘Misschien is het zo dat ik net iets beter dan een collega zonder handicap snap dat het leven door zo’n handicap niet altijd even simpel is, en dat je fysieke en psychische drempels te overwinnen hebt. De andere kant is dat we een appèl mogen doen op mensen om mee te doen, want mensen met een beperking kunnen heel veel dingen wél. Als staatssecretaris deed ik dat appèl ook op de werkgevers, om de deuren open te zetten voor mensen met een beperking. Iedereen hoort erbij, een inclusieve samenleving, daar strijd ik voor! Dat blijf ik ook doen als commissaris van de koning. Ik vertrek nu uit Den Haag om samen met mijn echtgenoot terug te keren naar mijn roots in Drenthe. Ik zal de stad gaan missen, maar ik heb veel zin in mijn nieuwe baan. Of ik te oud ben voor zo’n stap? Welnee, op je zestigste, dan begint het pas.’